ds schrijft

 

                   Arizona Ranger - feiten vanaf 1900 ....!
        Deel 1

Er waren rond 1900 al telefoons in grote delen van het Westen, tegelijk met ijssalons, Coca Cola, Hot Dogs en tandpasta in een tube.
Jonge mannen met een hang naar avontuur en die er naar verlangden om de oude tijden
terug te beleven hadden niet veel gebieden meer naar waar men kon uitwijken, maar Arizona bood nog steeds een verre horizon, een gevoel van vrijheid en uitbundigheid. Bergpaden en grote open gebieden hadden een uitnodigend karakter voor hen die nog wilde rondtrekken; en herten,antilopen, beren en grote katachtige waren nog in overvloed aanwezig voor de jacht.
Cowboys konden nog steeds grote ranches vinden die hen wilde inhuren, terwijl oneerlijke drijvers een goede kans maakten om met hun gestolen vee weg te komen. De Arizona populatie was nog spaarzaam, in 1900 had de grootste stad Tuscon slechts 7.531 inwoners, en rond de 123.000 inwoners waren uitgewaaierd over de uitgestrektheid van het territorium. Bank en treinrovers, moordenaars, veedieven en andere wetbrekers met een snel paard hadden zeer goede kansen om hun arrestatie te ontlopen.
Gouverneur Murphy was zich volledig bewust van dit probleem. In 1901 was hij er dan ook van overtuigd dat er binnen het territorium van Arizona behoefte was naar een eenheid van de beste ruiters en schutters gelijk aan de Texas Rangers of de Mexicaanse Rurales (militaire politie-eenheid). En hij had zelf ook al de man op het oog die deze eenheid zou moeten opzetten en uitbouwen: Burton C. Mosmann had al sinds zijn arriveren in Arizona bij velen ontzag en indruk gemaakt.

Hij had als rancher-businessman reeds een reputatie opgebouwd in zijn strijd tegen veedieven en mede om die reden vroeg de gouverneur hem om samen te werken met Frank Cox, hoofd advocaat voor de Southern Pacific Railroad, in het opzetten van een rangers organisatie. Een achttien zeer gedetailleerd punten tellend document (the bill) werd door hen aan de gouverneur overhandigd.

"The Bill"  creëerde een veertien-mans eenheid: een captain, een sergeant en twaalf privates (rangers). De betaling was als volgt: de captain $ 120,- per maand, de sergeant $ 75,- per maand; en de privates elk $ 55,-. De mannen moesten zichzelf voorzien van wapens en al de benodigde kamp uitrusting alhoewel de Territoriale Overheid de in het gevecht omgekomen paarden zou vervangen. De Territoriale Overheid zou de mannen verder voorzien van munitie, eten en voorraden. De eenheid zou volgens de normen en regels van het leger worden opgezet.
Mossman zelf zag een dergelijke job in het begin eigenlijk helemaal niet zitten, toen hij werd uitgenodigd voor een vervolg gesprek met de gouverneur werd hij dan ook geconfronteerd met een hele groep van zeer invloedrijke personen. Binnen een uur had deze groep van invloedrijke en overredingskrachtige mannen Mossman omgepraat om de functie van Captain van de Arizona Rangers op zich te nemen. Mossman bedong hierbij wel dat hij slechts voor één jaar deze functie zou uitoefenen en zelf zijn
rangers mocht benoemen. Mossman trad in deze functie aan op 30 augustus 1901 en zette zijn hoofdkwartier op in het mijnwerkersstadje Bisbee.

Zijn eerste taak was nu het rekruteren van dertien Rangers. Hij wilde buiten mensen, mannen die konden paardrijden, spoorzoeken en schieten, mannen die ervaring hadden opgedaan als cowboys of als wetsdienaren. Hij had verschillende kandidaten op het oog, en maakte nooit de nieuwe leden bekend om als zodanig hun identiteit zolang verborgen te kunnen houden voor de wet overtreders.

De eerste mannen die als eerste op 6 september dienst namen bij de Rangers waren Bert Grover en Tom Holland, nog dezelfde dag tekenden ook de Texanen Leonard Page en George Edgar Scarborough. De daarop volgende week tekende Carlos Tafallo. Op 13 september melden zich Fred Barefoot en James Warren tezamen met de Texaan Don Johnson die met zijn tweeëntwintig de jongste onder de Rangers was.
Vijf dagen later werden John Campbell uit Pensylvania en Richard Stanton uit New York geaccepteerd als Rangers. Campbell tot voor kort nog veeboer, had echter militaire ervaringen en bracht het later nog tot sergeant. Op 20 september werd Duane Hamblin, een getekende ruig uitziende buitenman als ranger ingelijfd. De dertien vacatures waren in oktober gevuld, met Henry Gray; een zevenenveertig jarige Californier en de oudste onder de rangers als de twaalfde man en de vierenveertig jaar oude Frank Richardson als ranger nummer dertien.
De gemiddelde leeftijd van de rangers bedroeg vierendertig. Drie man waren in de twintig, drie in de veertig en de andere zeven tezamen met captain Mossman waren in de dertig
Scarborough, Johnson, Tafolla en Grover hadden ervaring als wetsdienaren, terwijl zeven onder hen in een vorig beroep cowboy of cattlemen waren geweest. New Yorker Richard Stanton was van beroep kelner maar had als "Rough Rider" meegevochten in Cuba en Mossman dacht genoeg kwaliteiten als ranger in hem te zien.Binnen een paar weken realiseerde de captain zich dat hij een vergissing had begaan met het inhuren van Stanton.
In het kamp te Naco op vrijdagavond 15 november ontstond er, veroorzaakt door Stanton, onenigheid tussen hem en de andere rangers  , waaronder Tim Holland, Leonard Page en Bert Grover. In de daarop volgende confrontatie dewelke zelfs een worsteling en een schietincident tot gevolg had waardoor Grover aan zijn been werd verwond
. Stanton werd op 3 december ontslagen en zijn diensten als ranger waren niet langer gewenst.

In sectie 4 van de Rangers Akte stond opgenomen dat de mannen verplicht waren gebruik te maken van de meest effectieve en snelst ladende cavalry wapens.
De Territoriale Overheid zou de rangers van deze wapens voorzien maar de mannen moesten deze van hun eerste loon weer terugbetalen.
Captain Mossman wist precies welk
wapens hij voor zijn mannen wilde, het Winchester model 1895 het eerste wapen met een box-magazijn en de zesschots revolver Colt.45 (army model).

De rangers werden aldus uitgerust met het krachtige Winchester repeteer geweer en de betrouwbare Colt.45 single-action revolvers.
Gelijk aan de Texas Rangers droegen de Arizona Rangers ook geen uniform en waren gekleed in buiten kledij, niet alleen voor duurzaamheid maar tevens voor de anonimiteit zoals deze door Mossman werd verlangd.
Gedurende Mossman zijn commando droegen de rangers geen uiterlijke herkenningstekens zoals het Arizona Rangers insigne.

Op 29 augustus 1902 nam Captain Rynning het commando over van Mossman.
Rynning was na veel omzwervingen en verschillende baantjes naar Arizona gekomen, en als aannemer specialiseerde hij zich in het bouwen van bruggen voor de treinen van de Southern Pacific.

Toen de Spaans-Amerikaanse oorlog uitbrak nam hij dienst bij the First Volunteers Cavalry (eerste vrijwillige cavalerie) naderhand beter bekend geraakt als de eenheid "Rough Riders".
Begonnen als sergeant werd hij al snel bevorderd tot tweede luitenant, toen zijn commanderend officier sneuvelde heeft Rynning de compagnie geleid tijdens de aanval op San Juan Hill.
Na zijn ontslag uit het leger keerde Rynning weer terug naar zijn bouw activiteiten in Arizona, waar hij door gouverneur Brodie werd omgepraat o
m de Arizona Rangers te gaan leiden. Met de wissel van Captains bracht dit ook een verandering van hoofdkwartier met zich mee.
Captain Rynning besloot dat er op z'n minst in Arizona één stad was die meer onbeschermd en blootstond als Bisbee. Natuurlijk, geen straat in het territorium bood meer zonden dan de mijllange Brewery Gulch, maar imposante stenen gebouwen verschenen overal in de stad, en Bisbee nu een kwart eeuw oud en meer geciviliseerd begon zijn ruwe randen te verliezen. Twintig mijl naar het westen was een nieuwe gemeenschap aan het groeien en die smeekte om de aanwezigheid van de Rangers.

In de Sulphur Spring Valley, had de Phelps Dodge Compagnie of Bisbee in 1900 een hoopvol mijnwerkersstadje opgezet.
Het plaatsje kreeg de naam Douglas, genaamd naar James S. Douglas, zoon van de president van Phelps Dodge, Dr. James Douglas. Het was gebouwd om een bouwterrein aan te leggen voor een onmetelijke nieuwe Copper Queen Smelter (smeltovens voor kopererts). De Phelps Dodge Compagnie hadden zojuist een aantal mijnen kunnen bemachtigen in Pilares en Nacazori, Mexico en daar er volgeladen wagens met kopererts vanuit deze plaatsen vanaf de heuvels Sulphur Spring Valley zouden komen binnen rollen moesten er in deze omgeving smeltovens worden gebouwd. Snelle speculanten claimden en markeerden een gebied voor een stadje op nog geen twee mijl van de locatie van deze ovens.
Kooplui, saloon uitbaters, prostituees en gokkers stroomden binnen in Douglas, en toen de arbeiders arriveerden voor de bouw van de smeltovens troffen zij een groep van tenten en barakken aan die hen een veelvoud van goederen en andere service boden. Al snel waren er meer solide gebouwen in aanbouw, maar het leven in de grensstad was ruw
en hard, de meest bekende honkt-tonk in Douglas was the Cowboy's Home Saloon.
Door zijn ligging, vlak bij de Mexicaanse grens was Douglas een toevluchtsoord voor misdadigers uit beide staten, die bij het arriveren van een wetsdienaars snel de grens overglipten.

Captain Rynning vond dat hij van daaruit beter kon opereren zeker nu Douglas het ruwste oord van de Amerikaanse grens was geworden en
dus het meeste aan een grote schoonmaak toe was.
op 1 oktober werd het hoofdkwartier van de rangers verplaats naar Douglas in Fifteenth Street het zuidelijke deel van de stad. Een twee kamer gebouw, met aan de achterzijde een
corral, werd hun hoofdkwartier. De voorste kamer van het kleine gebouw werd het bureau, terwijl de achterkamer was volgestampt met wapens, zadels, beddenrollen en uitrusting. Daar de rangers gereed moesten zijn voor een noodoproep, stond er 24 uur per dag op z'n minst één paard gezadeld en beteugeld in de corral. Een telefoon was geïnstalleerd in het kantoor, en andere berichten arriveerden per telegram of persoonlijk.
Van 1903 tot 1906 was het kantoor normaal gesproken bemand door Sgt. Arthur A. Hopkins, die was aangenomen door Rynning voor administratieve diensten. De meeste rangers hadden veldopdrachten, maar vier of vijf man verrichten normaal gesproken hun dienst in Douglas en woonden in de achterkamer.
Rynning begon in september zijn dienst bij de rangers, en binnen een week hadden Bert Grover en Leonard Page hun dienstcontract erop zitten en
zij besloten niet meer bij te tekenen.
 Slechts vier van de originele rangers bleven nog in dienst: Thomas J. Holland, Fred Barefoot, John Campbell en Henry Gray.

In deel 2 meer.
So long DS

Bronnen:
Arizona Rangers
Arizona History